Wim NusselderGo to English website |
||
|
Is Rente nodig?geschreven voorjaar 1985 na stage bij MeMOmunt, laatst herzien 7-2-00 9:56 Waarom rente? Is het terecht dat mensen rente krijgen, inkomen waar ze niet voor gewerkt hebben? Is rente nodig om de economie goed te laten functioneren? Kan een bank, een instelling die geldkapitaal daar probeert terecht te laten komen waar het het hardst nodig is, bestaan zonder rente te betalen en te ontvangen? Het eerste hoofdstuk is gebaseerd op literatuuronderzoek. Aan de orde komen twee samenhangende vragen: hoe kan het bestaan van rente, economisch gezien, verklaard worden? en: In hoeverre kan het bestaan van rente, ethisch gezien, gerechtvaardigd worden? In het volgende hoofdstuk komt de vraag aan de orde of we het ook zonder rente kunnen stellen. Gedurende het grootste deel van de menselijke geschiedenis werd het vragen van rente vrij algemeen als immoreel en onrechtvaardig beschouwd. Dit is heel begrijpelijk in maatschappijen die nog vooral op landbouw berusten. Ook de (Roomse) Kerk was in de Middeleeuwen zeer radicaal in haar afwijzing van rente of "woeker" zoals het meestal genoemd werd. Woeker noemde zij het wanneer de uitlener "voordeel probeert te behalen uit het gebruik" (door de lener) "van zaken die niet zelf vruchtbaar zijn (zoals een schaapskudde of een akker), zonder arbeid, uitgaven of risico van de kant van de uitlener" (aldus het Lateraans Concilie van 1515). Deze afwijzing van rente was vooral gebaseerd op bijbelteksten: Lukas 6 vers 34 en 35 nam daarbij een belangrijke plaats in. Jezus zegt in dit onderdeel van de Bergrede: "Indien gij leent van hen, van wie gij hoopt iets te ontvangen, wat hebt gij dan vóór? Ook zondaars lenen aan zondaars om evenveel terug te ontvangen. Neen, ...leent zonder op vergelding te hopen". Daarmee werd dus een relatief gematigde uitleg van die bijbeltekst gegeven. Een meer radicale uitleg had er zelfs een afwijzing van het vragen om aflossing van schulden uit kunnen halen. Fundamentele islamieten wijzen rente tegenwoordig nóg (of weer) af op vergelijkbare gronden: teksten uit de Koran die ongeveer dezelfde strekking hebben als die bijbelteksten. Ook de Rooms-katholieke Kerk heeft haar principiële afwijzing van rente overigens tot op heden nooit herroepen. Ze heeft slechts in de loop van de eeuwen de strijd opgegeven tegen de ontduiking van dit principe. Deze strijd ging vooral tegen rijke handelaren en andere belanghebbenden, soms ook binnen de eigen kring van kerkelijke functionarissen en instellingen... Deze maakten vooral gebruik van spitsvondige redeneringen, waarmee de letterlijke uitspraken van de Kerk ondergraven werden. Zo bedacht iemand dat rente geen vergoeding voor het gebruik van geld was, maar voor het niet op tijd terugbetalen ervan. Met als gevolg dat het een tijdje mode was (tot de Kerk ingreep) om geld zogenaamd maar voor één dag of zo uit te lenen, om over de rest van de looptijd van de lening rente te kunnen vragen. Een andere slimmerik verzon dat een lening bestond uit drie soorten contracten die de Kerk afzonderlijk niet verbood: het mede-eigenaarschap van een onderneming, een verzekeringscontract tegen schommeling van de winstuitkering en een verzekeringscontract tegen verlies van het geïnvesteerde vermogen. Ongeveer de eerste die de theologische grondslagen van het renteverbod aanviel, de uitleg van die bijbelteksten dus, was "de grote reformator" Calvijn, grondlegger van de meeste protestante kerken in Nederland. In zijn veelgeciteerde brief uit 1545 geeft hij een alternatieve uitleg van de bijbelteksten die gebruikt werden om het renteverbod te onderbouwen. Uit zijn uitleg trekt hij de conclusie dat rente niet in het algemeen verboden is, maar slechts voor zover het strijdig is met rechtvaardigheid of barmhartigheid. Genoemde tekst uit Lukas, vergeleken met andere uitspraken van Jezus in de bijbel, eist van ons volgens hem "om in de eerste plaats te lenen aan degenen waarvan in 't geheel geen hoop is op terugbetaling". Je moet dus niet "in de eerste plaats ... kijken waar het geld veilig ondergebracht kan worden, maar het bij voorkeur gebruiken om de armen te helpen". Waar Calvijn blijkens zijn brief al bang voor was gebeurde: zijn navolgers maakten dankbaar gebruik van zijn verwerping van de Rooms-katholieke bijbeluitleg en vergaten dat de conclusies die Calvijn zélf trok uit die bijbelteksten óók nog een afwijzing van de meeste geldschieterpraktijken inhield. Calvijn schrijft bijvoorbeeld expliciet: "Hoewel ik enige rente toesta, maak ik niet alles geoorloofd. Verder keur ik niet goed als iemand een beroep wil maken van het rentevoordeel behalen." Calvijn keurde dus het bankbedrijf af! "Daarenboven geef ik nergens vergunning voor dan onder aanbrenging van bepaalde uitzonderingen. De eerste is dat er geen rente genomen mag worden van de armen en dat niemand die in moeilijkheden is door gebrek of ongeluk gedwongen mag worden" tot betaling. "De tweede uitzondering is, dat wie leent niet zodanig gericht mag zijn op winst dat hij ... door zijn geld veilig te willen onderbrengen zijn arme broeders tekort doet. De derde uitzondering is dat niet plaats mag vinden wat niet overeenstemt met natuurlijke rechtvaardigheid en het gebod van Christus: 'behandel de mensen, zoals u door hen behandeld wilt worden'... De vierde uitzondering is dat degene die leent evenveel of meer voordeel moet tegemoet zien van het geleende geld" als degene die uitleent. "In de vijfde plaats dat we niet oordelen volgens de algemene gewoonte ... of afmeten wat recht en billijk is aan de verdorvenheid van de wereld, maar dat we ons voorschrift nemen uit het woord van God. In de zesde plaats moeten we bepaald niet alleen letten op de privé-omstandigheden van degenen waarmee we zaken doen, maar ook overwegen wat geschikt is in het algemeen. Want het is overduidelijk dat de rente die de handelaar betaalt een toelage van het hele volk is", (want de handelaar betaalt die rente tenslotte uit de opbrengsten van zijn handel, waar meer mensen bij betrokken zijn dan alleen hijzelf). "In de zevende plaats dat men niet díé hoogte van de rentevoet overschrijde die de openbare wetten van de regio of plaats toestaan. Het is echter niet altijd voldoende om je aan die wetten te houden, want vaak staan ze dingen toe, die men wíl, maar om praktische redenen niet kán verbieden." Degenen die belang hadden bij het vrij lenen en uitlenen van geld en bij het door rente laten aangroeien van hun kapitalen wonnen dus de strijd om de rechtvaardiging van de rente. Daarbij maakten ze gebruik van de politieke machtsstrijd tijdens de godsdienstoorlogen in Europa van de 16e en 17e eeuw. Zo werd Holland, dank zij de 80jarige oorlog tegen het Rooms-katholieke Spanje, lange tijd het commerciële en financiële centrum van Europa: de 17e eeuw heet niet voor niets in de geschiedenisboekjes onze Gouden Eeuw. De economische theorie die in de 18e eeuw schoorvoetend van de grond kwam, sloot zich gewoon aan bij die situatie. Adam Smith en de Engelse school van de "klassieken", die met name in de 19e eeuw de toon aangaven in de economische wetenschap, beschouwden rente als iets wat alleen nog maar verklaard en niet meer gerechtvaardigd hoefde te worden. Voorzover er discussie was over de rechtvaardigheid van rente, was dat, omdat rente één van de vormen van inkomen uit kapitaalbezit is. Zoals Böhm Bawerk, een invloedrijke econoom, aan het begin van deze eeuw schreef: "Na Adam Smith ... verleende de machine de productie een steeds kapitalistischer inrichting. Maar juist de invoering van de machine was ook begonnen een tegenstelling bloot te leggen, die met de ontwikkeling van het kapitaal in het economisch leven binnen gedrongen was en dagelijks in belang toenam: de tegenstelling tussen kapitaal en arbeid. In de ambachten hadden ondernemers en loonarbeider, meesters en gezellen, niet zozeer tot verschillende sociale klassen als slechts tot verschillende generaties behoord ... Anders nu in het kapitalistische grootbedrijf... Kapitalist en arbeider delen in de opbrengst van de onderneming. Maar zo, dat de arbeider gewoonlijk weinig, ja erg weinig, en de ondernemer veel krijgt... Kwam bij deze contrasten ... nog de gedachte, dat goed beschouwd de arbeiders de producten voortgebracht zouden hebben waaruit de ondernemer zijn winst haalt ... dan kon het niet uitblijven, dat een advocaat van de 'vierde stand' dezelfde vraag over het kapitaalinkomen begon te stellen, die men vele honderden jaren eerder al voor de schuldenaar met betrekking tot de leenrente gesteld had: is het kapitaalinkomen terecht?" Het waren met name de socialisten en dan vooral Karl Marx, die zich opwierpen als advocaten van de arbeidersklasse. Marx veroordeelde het kapitalisme als geheel, niet speciaal de rente. Het kapitalisme was volgens hem uitbuitend en "vervreemdend". De kapitalisten eigenden zich volgens hem een onevenredig groot deel toe van de onder hun leiding door de arbeiders geproduceerde welvaart. In het kapitalisme verloren de arbeiders alle zeggenschap over hun arbeid en de producten daarvan. Böhm Bawerk moest overigens niets hebben van Marx. Voor hem waren "die kapitalisten ... handelaren die huidige goederen te koop hebben." Bij huidige goederen moet dan bijvoorbeeld gedacht worden aan het geld dat iemand uitleent aan een ondernemer of het loon dat een ondernemer uitkeert aan zijn arbeiders." Ze zijn gelukkige bezitters van een goederenvoorraad", een 'kapitaal' of een 'vermogen' dus, "die ze voor hun persoonlijke behoeften van dat moment niet nodig hebben. Ze zetten hem dus op een of andere manier om in toekomstige goederen." De uitlener van huidig geld krijgt daar toekomstig geld voor terug in de vorm van rente en aflossing. De ondernemer krijgt voor het loon dat hij uitbetaalt, arbeid terug. De producten die hij met die arbeid laat maken, verkoopt hij. De verkoopopbrengsten zijn dan het toekomstige geld dat hij terugkrijgt voor het loon dat hij uitbetaalt. Volgens Böhm Bawerk was daaraan niets onrechtvaardigs. "Huidige goederen zijn nu eenmaal uit natuurlijke oorzaken een waardevollere waar dan toekomstige; en als de bezitters de waardevollere waar voor een grotere hoeveelheid van de minder waardevolle inruilen, dan is daar niets stotenders aan, dan wanneer ... de bezitter van goud een pond goud voor meer dan een pond ijzer of koper inruilt. Het afzien van het doen gelden van de hogere waarde van de eigen waar zou een daad van onbaatzuchtigheid en grootmoedigheid zijn, die onmogelijk algemeen tot plicht gemaakt kan worden en die ook bij geen enkele andere waar tot plicht gemaakt wordt." Toch was zo'n daad van onbaatzuchtigheid dus precies datgene wat Calvijn wél eiste, in elk geval zolang er nog arme medemensen op deze wereld zijn! Volgens Böhm Bawerk bracht het bestaan van rente dus tot uitdrukking, dat het huidige geld dat iemand uitleent, uit "natuurlijke oorzaken" waardevoller is dan het toekomstige geld dat hij als aflossing van de lening terug verwacht. Die "natuurlijke oorzaken" bestonden volgens Böhm Bawerk en vele economen na hem uit twee soorten. In de eerste plaats "bepaalde feiten van de productietechniek". Bijvoorbeeld het feit dat je over het algemeen meer kunt produceren als je (met geleend geld) machines koopt dan zonder machines te gebruiken. In de tweede plaats "het feit van consumptie-uitstel": de kapitalisten moeten de consumptie van hun kapitaal uitstellen om het uit te kunnen lenen of om er arbeiders mee in dienst te kunnen nemen. Ze zullen dan voorlopig het genot moeten missen van een groter huis of een luxe zeiljacht. Nou ja, voor kleine "kapitalistjes" met spaarrekeningetjes op de bank gaat het natuurlijk eerder om het genot van een extra bos bloemen in de week of van roomboter in plaats van margarine. Onder "neoklassieke" economen, de stroming die vanaf het eind van de vorige eeuw de toon aangaf, werd rente dus ook op twee verschillende manieren gerechtvaardigd. Overigens vaak gecombineerd. Aan de ene kant zou rente terecht zijn om de gelduitleners te laten delen in de extra productieopbrengst die mogelijk gemaakt werd door een geldlening. Aan de andere kant zou die rente de gelduitlener moeten compenseren voor het uitgestelde consumptiegenot. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog was het de bekende econoom Keynes, die met zijn "General Theory" bovenstaande verklaring van rente, en dus ook de rechtvaardiging ervan, grondig onderuit haalde. De "neoklassieke" rechtvaardiging van rente had ook zonder dat overigens wel haken en ogen. Zo gold hij strikt genomen alleen voor de laatst geleende, de zogenaamde "marginale", gulden en niet voor een lening van een jaar geleden of voor de eerste f 99,- van een lening van f 100,-. Alleen "in de marge" was er volgens de "neoklassieke" theorieën een directe relatie tussen die rentevoet enerzijds en die productievergroting of dat uitstel van consumptiegenot anderzijds. Keynes ondergroef echter zelfs die "marginale" verklaring en rechtvaardiging van rente. Volgens hem kwam de rente vooral tot stand op de effectenbeurs. Op die effectenbeurs zag hij zó'n grote invloed van speculatie, dat de oorzaken die de "neoklassieken" aanwezen voor het bestaan van rente nauwelijks invloed konden hebben. Die speculanten handelden namelijk in bestaande effecten (obligaties en aandelen), terwijl die "neoklassieke" renteverklaringen slechts golden voor de uitgifte van nieuwe effecten. De rentevoet die onder invloed van speculatie tot stand komt, was volgens Keynes te verklaren door een flink aantal factoren: de rentevoet die de speculanten als 'normaal' beschouwen, de rentevoet die de overheid via de centrale bank oplegt aan het bankwezen, de hoeveelheid geld die in omloop is etc.. Geen van deze factoren is echter te zien als een rechtvaardiging van het bestaan van rente. Keynes pleitte dan ook voor een overheidspolitiek die de rente zoveel mogelijk zou verlagen. Hij deed ook suggesties hoe de overheid dat zou kunnen doen. Als de overheid dat werkelijk zou proberen, zou volgens hem de rentevoet binnen één generatie verdwijnen. "Rente beloont tegenwoordig geen werkelijke opoffering" van consumptiegenot. "De kapitaalbezitter kan rente vragen omdat kapitaal schaars is", eigenlijk dus schaars gehouden wordt bij gebrek aan overheidspolitiek die daar wat aan doet. Een overheid die Keynes' suggesties niet opvolgt, ondersteunt daarmee in feite"de groeiende onderdrukkingsmacht van de kapitalist om de schaarste van het kapitaal uit te buiten." Daarmee kom ik op de vraag of datgene wat Keynes voorstond werkelijk mogelijk is in Nederland anno nu. Kunnen we zonder rente? De gangbare opvatting is, dat rente nuttig en noodzakelijk is voor de maatschappij, omdat het zorgt dat het kapitaal dáár terecht komt, waar er het meest nuttige gebruik van gemaakt kan worden. Alléén die mensen en bedrijven kunnen geld lenen, die voldoende rente kunnen opbrengen, de anderen vissen achter het net. De mensen en bedrijven die de meeste rente kunnen opbrengen, weten dat kapitaal ook het nuttigst te maken. Zonder rente was, zouden er misschien mensen en bedrijven achter het net vissen, die het kapitaal erg nuttig kunnen maken. Bovendien zouden mensen en bedrijven geld kunnen lenen om het te gebruiken voor vrijwel nutteloze projecten. Sommige economen zeggen daar bij, dat rente zorgt voor een juiste afweging tussen huidige en toekomstige behoeften van mensen. Zonder rente zouden mensen hun inkomen helemaal opmaken aan kleren, vakantiereizen of wat dan ook; ze zouden het consumptief besteden en niets sparen voor later, voor een pensioenuitkering, de opleiding van hun kinderen, voor een vakantiereis op een moment dat ze er meer behoefte aan hebben etc.. Dat durven die economen echter alleen op te schrijven als ze heel abstract en theoretisch bezig zijn. In de praktijk blijkt namelijk dat je niet in het algemeen kunt zeggen dat mensen meer of minder sparen als de rente hoger of lager wordt. Hoeveel mensen sparen, hangt meer af van de hoogte van hun inkomen en van de manier van leven waar ze aan gewend zijn, dan van de rente. Iemand die spaart voor een bepaalde vakantiereis of voor een pensioenuitkering met een bepaalde hoogte, zal zelfs méér gaan sparen als de rente naar 0% daalt. Het geld dat hij nu opzij legt, groeit dan namelijk in de loop van de tijd niet "vanzelf" aan door renteontvangsten; hij zal het echt allemaal zelf moeten sparen. Aan het idee dat rente nuttig gebruik van kapitaal bevordert, zitten flink wat haken en ogen. Dat "kapitaal" is bijvoorbeeld een nogal mysterieuze grootheid. Het kan namelijk "vastgelegd zijn" in "kapitaalgoederen": machines, wegen, de voorraad consumptiegoederen in de etalage van een winkel etc.. Het kan ook in de vorm van geld "vrijkomen" uit die kapitaalgoederen. Er kan geldkapitaal vrijkomen uit kapitaalgoederen doordat ze verkocht worden, maar er kan ook geldkapitaal vrijkomen uit kapitaalgoederen die gewoon staan te verslijten. In dat laatste geval worden ze geleidelijk "afgeschreven". De bezitter van die kapitaalgoederen reserveert geld uit zijn inkomen om ze op den duur te kunnen vervangen of om er iets nieuws mee te kunnen doen. Uit de verkoopopbrengst van producten die met een bepaalde machine gemaakt zijn wordt bijvoorbeeld een deel gereserveerd om op den duur een nieuwe machine te kunnen kopen. "Kapitaal" kan alleen maar nuttig zijn als het "vastgelegd is" in kapitaalgoederen. Tegelijkertijd kun je pas zien hoe groot het is en wat de opbrengst ervan is (hoeveel het "gegroeid" is), als het vrijkomt in de vorm van geld. Het is heel makkelijk in te zien dat een kapitaalgoed nuttig is: je hebt tenslotte een oven nodig om brood te bakken, je hebt een spoorlijn of een autoweg nodig om van Amsterdam naar Den Haag te komen. Of het in zo'n kapitaalgoed vastgelegde kapitaal een opbrengst oplevert, hangt er ook dan nog maar van af. Een oven kan evenveel broden blijven produceren, terwijl de bakker toch plotseling verlies gaat lijden; bijv. als een supermarkt in de buurt overstapt op Belgisch brood waarvoor geen minimumprijs geldt. Bij een autoweg kan de opbrengst van het erin geïnvesteerde kapitaal alleen maar met de natte vinger vastgesteld worden, tenzij het een tolweg is, komt dat kapitaal namelijk nooit meer vrij. De vraag wat het meest nuttig is, een autoweg of een spoorlijn, is dan ook eigenlijk niet eens te beantwoorden. Toch schijnen regeringen wel op de een of andere manier een beslissing te nemen hoeveel kapitaal ze in elk van beide willen investeren... Het idee dat rente nuttig gebruik van kapitaal stimuleert is slechts aannemelijk zolang het begrip "kapitaal" abstract blijft. Zodra je het over concrete kapitaalgoederen gaat hebben, ligt dat lang zo duidelijk niet meer. Zorgt de rente werkelijk dat die bakker alleen geld kan lenen als hij voldoende nuttig gebruik weet te maken van de oven die hij ermee koopt? Een van de maatstaven van een bank om wel of geen lening te verstrekken, is de verwachte verkoopopbrengst van die bakker. Is dat werkelijk een maat voor het nuttige gebruik van die bakker in de toekomst van zijn oven weet te maken? Om die vragen te beantwoorden zul je moeten bepalen hoe nuttig een bepaald kapitaalgoed is of kan zijn, los van de vraag hoeveel rente een bepaald bedrijf op kan brengen. Is een oven waarmee je op kleine schaal brood kunt bakken nuttiger dan een moderne oven waar de broden op een lopende band doorheen gaan? Mensen die het mens- en milieuvriendelijk ondernemen aan het hart gaat, zullen al gauw met ja antwoorden. Banken gaan helaas vaak van het omgekeerde uit. Wie heeft er dan gelijk? Het is geen wonder dat de meeste economen die vragen liever laten liggen. Als ze maar abstract blijven praten, dan merkt niemand dat ze om de eigenlijke vragen heen draaien. Een vraag die dan in feite onbeantwoord blijft is dan bijvoorbeeld welke concrete kapitaalgoederen nuttig zijn en welke niet in een bepaalde situatie. Daar zit de vraag achter hoe we onze maatschappij economisch gezien willen inrichten. Grootschalig of kleinschalig? Mens- en milieuvriendelijk of vervreemdend en uitbuitend? Er is nog een vraag die onbeantwoord blijft. Kunnen we in deze maatschappij iedereen die nuttige gebruiksmogelijkheden heeft voor kapitaalgoederen van de financiële middelen voorzien om ze aan te schaffen? Om die vraag te beantwoorden, moet je een bepaalde opvatting hebben over wat nuttig is en wat niet. De meeste economen gaan er gewoon van uit dat iedereen die geld te leen vraagt, een nuttig gebruik ervan voor ogen heeft. De consequentie van die opvatting is dat "kapitaal" "schaars" lijkt. Rente is dan nodig om te selecteren wie het wel en niet krijgt en "nuttig gebruik" krijgt in feite een hele beperkte invulling: nuttig om meer geld voort te brengen. Als je niet expliciet op grond van een bepaalde opvatting selecteert op nuttigheid, dan is de behoefte aan kapitaalgoederen zó groot, dat je inderdaad niet zonder rente kunt als selectiemiddel. Dat wil zeggen zolang we in een maatschappij leven waar mensen slecht samenwerken. Samenwerking voorkomt namelijk dat iedereen privé-auto's, privé-wasmachines etc. nodig heeft; het voorkomt dat bedrijven al te veel overcapaciteit ("gedeeltelijk werkloze kapitaalgoederen") hebben en dus massa's geld in reclame etc. moeten steken om voldoende te kunnen verkopen; het voorkomt dat groepen mensen en landen immense militaire verdedigingssystemen opzetten om zich tegen elkaar te beveiligen; en zo is er nog wel het een en ander te bedenken. Er is nog een andere kijk mogelijk op het uitlenen van geld en op rente. Daarvoor moeten we de veronderstelling dat er iets als "kapitaal" bestaat en dat rente de prijs is voor het mogen gebruiken ervan, even helemaal vergeten. Ik ga daarbij uit van de (antroposofische) ideeën die leven bij de Triodosbank. Zij maken onderscheid tussen drie manieren waarop je geld kunt gebruiken. Je kunt er iets mee kopen, dan krijg je er direct iets voor terug. Je kunt het uitlenen, dan verwacht je er op den duur aflossing en eventueel rente voor terug. Of je kunt het weggeven, dan verwacht je er hoogstens een "dankjewel" voor terug. Er is een essentieel verschil tussen "leengeld" aan de ene kant en "koopgeld" en "schenkgeld" aan de andere kant. Bij de overdracht van leengeld ontstaat er namelijk voor een bepaalde periode een "schuldverhouding". Leengeld legt dus relaties tussen mensen. Dat kunnen relaties zijn die heel gezond zijn, omdat ze de samenwerking tussen mensen versterken. Zo kunnen mensen die bij elkaar in de buurt wonen spullen aan elkaar uitlenen die ze zelf niet nodig hebben. Gezamenlijk kunnen ze dan met minder spullen hun behoeften beter bevredigen. Mensen die als medewerkers en consumenten afhankelijk zijn van een zelfde bedrijf, kunnen geld dat ze niet direct voor eigen behoeften nodig hebben aan dat bedrijf lenen. Dat bedrijf wordt dan in staat gesteld om meer of betere goederen en diensten te leveren en om menswaardiger werk te bieden. De door leengeld gelegde relaties tussen mensen kunnen echter ook heel ongezond zijn. Dat al of niet gezond zijn van de relaties, drukt zichzelf uit in de onderdelen van die leenverhouding. Die onderdelen van de leenverhouding zijn: rente, de geleende "hoofdsom", de looptijd, de aflossingsmogelijkheden, de risico's die gelopen worden en de zekerheden die daar tegenover staan en de moeite die het leners en uitleners kost om de leenverhouding tot stand te brengen, in stand te houden en te beëindigen. De vraag of rente een noodzakelijk onderdeel is van een gezonde leenverhouding kan niet goed beantwoord worden zonder te kijken naar die andere onderdelen van de leenverhouding. Het is slechts bij gebrek aan ruimte dat ik me toch voornamelijk tot rente beperk. Er valt dan al gauw op, dat rente heel verschillende dingen tot uitdrukking kan brengen. Je kunt dan kijken of die dingen wel of niet thuishoren in wat je als gezonde relaties tussen mensen ziet. Sleutelwoorden van gezonde relaties bij mens- en milieuvriendelijk ondernemen zijn vertrouwen, samenwerking, het niet-anoniem zijn en overzicht bij alle betrokkenen over wat er gebeurt (overgenomen uit de statuten van wijlen MeMOmunt). Rente kan dan in de eerste plaats tot uitdrukking brengen hoe afhankelijk de lener is van de lening en wat de macht van de uitlener is om die lening al of niet te geven. Die afhankelijkheid en die macht zijn onder andere groter naarmate de schaarste van het uitleenbare geld groter is; de schaarste bij individuele uitleners én die in de samenleving als geheel. Rente wordt dan als het ware afgedwongen, gebruik makend van die macht en die afhankelijkheid. Het lijkt mij duidelijk dat dit geen plaats hoort te hebben in een relatie gebaseerd op samenwerking. In een gezonde relatie bepalen mensen gezamenlijk in gelijkwaardigheid wie het beschikbare geld het hoogste maatschappelijke rendement kan geven, ongeacht wie toevallig het eigendom erover heeft. In de tweede plaats kan rente tot uitdrukking brengen hoe effectief geleend geld gebruikt gaat worden. Het is te zien als een signaal van potentiële leners aan potentiële uitleners, waarin ze uitdrukken hoe nuttig ze een eventuele lening denken te kunnen maken. Het is belangrijk om te benadrukken dat het hier om verwachte financiële effectiviteit gaat, het toekomstige vermogen dat bedrijf denkt te hebben om inkomen te vormen boven op het loon waarmee de medewerkers tevreden zijn. Wie mens- en milieuvriendelijkheid voorop stelt vindt dit soort effectiviteit minder belangrijk dan wie dat niet doet. Creëren van vertrouwen bij de uitlener in de mens- en milieuvriendelijkheid van het initiatief van de lener zou voorop moeten staan. Het financieel verantwoord zijn van het initiatief is wel belangrijk, maar komt hoogstens op de tweede plaats. Het rentevormend vermogen van mens- en milieuvriendelijke initiatieven hoeft dus ook niet even groot te zijn als dat van andere initiatieven, omdat het een minder belangrijk doel is. Je kunt je bovendien afvragen of rente wel zo nodig is als signaal tussen niet-anonieme leners en uitleners. Vertrouwen creëren in zowel de mens- en milieuvriendelijkheid als in het financieel verantwoord zijn van het initiatief kan dan op een veel directere manier. Over het geheel genomen lijkt rente slechts noodzakelijk in situaties die niet ideaal zijn. Situaties bijvoorbeeld waarin er geen directe relaties zijn tussen leners en uitleners, omdat er één of meer banken tussen zitten. Of situaties waarin de leners onvoldoende vertrouwen hebben weten te wekken bij de uitleners of waarin de uitleners zich onvoldoende betrokken voelen bij de idealen van de leners |